Zeven Europese landen (Zweden, Finland, Noorwegen, Denemarken, Frankrijk, Denemarken, UK) namen nationale klimaatwetten aan, meestal gebaseerd op de Britse ‘Climate Change Act’ uit 2008. Deze wetten legden langetermijndoelstellingen vast en brachten het politieke debat tot bedaren. Het zijn belangrijke instrumenten om de Europese regelgeving te verankeren. De krachtigste wetten werken met koolstofbudgetten en met een onafhankelijk panel van deskundigen. De parlementen krijgen een belangrijke rol toegewezen en evalueren de inspanningen van de diverse regeringen.
Een klimaatwet legt de nationale doelstellingen vast voor de periode na 2030, organiseert de manier waarop deze doelstellingen moeten gehaald worden. Eveneens legt een klimaatwet een monitoring- en rapportagemechanisme op.
In België presenteerden, begin februari 2019, een aantal academici een bijzondere klimaatwet, met daarin de doelstellingen voor 2030 en 2050. Eveneens voorzag deze klimaatwet een intensere samenwerking tussen de verschillende ministers bevoegd voor klimaat, een interfederaal klimaatagentschap en een jaarlijkse klimaatdag in april. De Raad van Staten was kritisch omdat de wet de bevoegdheidsverdelingen tussen het federale niveau, de gewesten en de gemeenschappen niet respecteert. Ondertussen stemde de Kamer over de herziening van artikel 7bis van de grondwet, die het eventueel mogelijk maakt een klimaatwet aan te nemen tijdens de volgende legislatuur.